Een groot gebaar

Het ongewone trekt de aandacht. Zo werken wij mensen. Als ik met ferme stappen en voor mij uit gestrekte arm het handenschudden tegemoet treed, moet ik een pas extra zetten. Ik zie direct de oorzaak: hij heeft een extreem korte bovenarm. Vroeger heette dat een handicap, tegenwoordig een functiebeperking.

Tot mijn eigen aangename verrassing lukt het me tijdens het gesprek verder geen aandacht te schenken aan de korte arm. Alleen op momenten dat hij iets noteert, met zijn bovenlijf vrijwel tegen het papier, probeert zijn ongewone mijn aandacht weer naar zich toe te trekken. Dat gebeurt ook, en met groot succes voor het ongewone, als hij met zijn armen gebaart hoe groot iets wel niet is. Dan wordt duidelijk in welke functie hij beperkt is. Opscheppen.

Mijn kapster

“Hoe wilt u het geknipt hebben”, vraagt ze aan me. Voor ik het weet, antwoord ik “goed”. Ik heb blijkbaar een jolige bui. Meestal pakt dat niet goed uit. Dit keer valt mijn foute grapje echter in de beste aarde. “Knip jij het dan maar”, joelt ze in de richting van haar collega. Hun lachen duurt een minuut of vijf.

Ochtendzorg

Ik ken hem nauwelijks. Toch denk ik elke dag aan hem. Bij het begin van de dag, terwijl ik in mijn peignoir naar de buitenbus loop.

Sinds ik hier woon, heb ik hem vijf keer ontmoet – eens per jaar. Ik maak me zorgen over hem. Al twee maanden komt hij niet meer. Mijn krant wordt keurig bezorgd, dat is het punt niet. Maar niet door hem. Hij loopt zeven meter verder en doet de krant in de voordeurbus. Zodat ik niet naar buiten hoef, op pantoffels en in peignoir. Dat moet ik nu wel.

Tegen het eind van 2010 was er ook een tijdje een vervanger. Toen was het korter, een week of twee. Op zekere dag lag de krant gewoon weer op de deurmat. En ik wist: hij is er weer, mijn vaste krantenman. Tijdens het ruilen van het nieuwjaarskaartje tegen een bankbiljet informeerde ik naar de reden van zijn tijdelijke afwezigheid. Hij had in het ziekenhuis gelegen, vertrouwde hij me toe. Kort daarvoor had ik exact dezelfde ingreep ondergaan. Het versterkte onze band, van mij uit gevoeld in elk geval.

Zou hij weer ziek zijn? Dát denk ik dus elke ochtend. En ik denk dan ook dat het helemaal niet zo erg is om even naar buiten te gaan op pantoffels en in peignoir. En dat ik hem een kaartje zou willen sturen.

Een vrouw?

Ik had de vraag totaal niet verwacht. Het was ook geen gebruikelijke vraag. Voor mij althans. De vraag was me nog nooit gesteld. En ik verwacht dat de vraag me ook nooit meer gesteld zál worden. Dat mag ik toch hopen.

Het was de huisschilder die de vraag stelde. Hij kwam de boel opnemen. Ik begeleidde hem van kamer naar kamer. En toen kwam het gesprek op de vele kleuren. Aangezien die ook mij niet enorm bevallen en ik hier blijkbaar zelfs door een schilder niet verantwoordelijk voor wil worden gehouden, meldde ik dat de kleurendiversiteit van muren en kozijnen met name het werk van mijn ex was.

En toen stelde hij hem. De vraag. Is uw ex een vrouw?

Chief

Op directie-etages als deze heerst altijd een serene rust. De gangen zijn er breder, de kamers meerramiger, het tapijt hoogpoliger. Ik mag een uurtje vertoeven in het kantoor van de chief executive officer, om hem enige vragen voor te leggen.

Het onderkomen van de chief blijkt een aantal vierkante meters te beslaan dat recht doet aan de status van zijn functie en de omvang van het bedrijf. Hetzelfde geldt voor zijn bureau, de vergadertafel en het zitje in zijn kantoor. Eigenlijk is alles er belangrijk en groots. Net als de ceo zelf.

Als er even een stilte valt in ons gesprek, staat de ceo op en begeeft hij zich naar de verre overkant van zijn kamer. Daar, in de hoek van de enorme ruimte blijkt een klein raampje open te kunnen. Enigszins onhandig prutst hij het open om vervolgens een sigaar tevoorschijn te toveren.

“Ik mag hier niet roken”, laat hij me met noodzakelijkerwijs luide stem weten. “Dat is ook wat”, antwoord ik. “Ben je de grootste baas van het hele bedrijf, mag je niet eens een sigaartje roken in je eigen kamer. Zijn peinzende “tsjah” verdwijnt met de uitgeblazen sigarenrook naar buiten.

Flits

Precies zoals getuigen van een plotseling voorval het steevast formuleren, zo gebeurde het.

In een flits.

Mijn bijrijdster gilt iets. Over een kat. En over uitkijken. Gelijktijdig beweegt er iets in mijn blikveld, ter hoogte van het linkervoorwiel van de auto. Iets dat met hoge snelheid van rechts gekomen moet zijn.

Ik voel een hobbel.

Iets onder het wiel. Zachter dan een verdwaalde steen, harder dan een pakje weggegooid brood. Plotseling zit de voorruit onder de spetters. Kalm blijven nu. Ruitenwissers aan. Schade opnemen via achteruitkijkspiegel. Ik zie een rode kat van links naar rechts het plantsoen in schieten.

De spetters zijn kleurloos.

Geen bloed. Het moet urine zijn, stellen we vast. Ik laat de ruitenwissers nogmaals heen-en-weer bewegen, nu met een flinke dosis reinigingsvloeistof.

Vier timbaaltjes, een puntzeef en een kok

Ondanks mijn broerzijn mag ik deelnemen aan het zussendiner, waarbij het gebruikelijk is dat elk van de deelnemers een gang verzorgt. De eer is zo groot dat ik een sterke drang voel mezelf culinair te overtreffen. Als ik enkele dagen voor de dinerdatum het boek ‘Topkoks voor thuiskoks’ cadeau krijg, voel ik me dan ook sterk aangesproken. Dit heeft zo moeten zijn.

Mijn keuze valt op de Rigatonivulkaantjes van Alfonso en Livia Laccarino, topkoks van restaurant Don Alfonso 1890 in Sorrento. Naast de receptinstructies staat namelijk een prachtige foto van een rigatonivulkaantje: een inderdaad bergachtige vorm met aan de buitenkant roodgekleurde pastakokertjes waarover vanuit de top van de vulkaan, lavagewijs, witte en groene stroompjes oog- en ongetwijfeld ook tongstrelende saus sierlijk naar beneden dalen. Hier ga ik indruk mee maken!

Ik blijk timbaaltjes nodig te hebben. Mijn intuïtie dat dit helemaal geen muziekinstrumentjes zijn, wat de woordklank wel doet vermoeden, blijkt het bij het rechte eind te hebben. Via Google ontdek ik dat een soort ovenvaste mini-emmertjes betreft. Vier heb ik er nodig, met een doorsnee van acht centimeter.

Nergens in de verre omtrek vind ik timbaaltjes met een grotere doorsnede dan zes centimeter. In mijn euforie over de indruk die ik met de rigatonivulkaantjes zal maken, besluit ik dat een paar centimeter minder niet echt veel zal uitmaken. Ik koop er meteen een professionele puntzeef bij. Die heb ik ook nodig volgens de Laccarino’s.

Tevreden en nog steeds vol enthousiasme bezoek ik vervolgens enige delicatessenzaken om alle benodigde ingrediënten in beste-van-het-bestekwaliteit aan te schaffen.

Tijdens de bereiding, die mij eerder redelijk eenvoudig leek, ontstaan er diverse praktische problemen. Zo blijkt er van de eerste gepureerde en vervolgens gepuntzeefde basilicum slechts een hoeveelheid over te blijven waarmee amper een half vingerhoedje te vullen is. Een ander knelpunt is dat de rigatoni te lang zijn en, in weerwil van stevig proppen, zeer ruimschoots uit de timbaaltjes blijven steken. Wat ik ook enigszins zorgelijk vind, is dat alle doperwten, gehaktballetjes, gekookte eieren en buffelmozzarella’s met geen mogelijkheid in de krappe binnenruimte van de timbaaltjes passen. Ook hier pas ik gematigd geweld toe, maar dan nog houd ik zeker de helft van mijn kostbare inkopen over. Mijn vertrouwen in een goede afloop en waarderende zussenblikken maakt plaats voor enige bezorgdheid en vrees voor eeuwige familiehoon.

Een weg terug is er echter niet.

Wanneer het zover is, de uitpuilende timbalen hun oventijd hebben volgemaakt en de verwachtingen hooggespannen zijn, keer ik ze op de borden. Mijn angst wordt volledig bewaarheid. Het door deze thuiskok met zoveel liefde en doorzettingsvermogen bereide doet in weinig denken aan een vulkaan die zojuist subtiel smakende en kleurrijke substanties heeft gespuwd. Op elk bord ligt een hoopje slachthuisafval.

De zussen vangen mij liefdevol op. Dat het geheel niet alleen verre van een lust voor het oog is maar bovendien beslist niet gaar lijkt te zijn, brengt één van hen ertoe de inhoud van de borden in een koekenpan te schuiven om er alsnog iets eetbaars van te maken.