Ondanks mijn broerzijn mag ik deelnemen aan het zussendiner, waarbij het gebruikelijk is dat elk van de deelnemers een gang verzorgt. De eer is zo groot dat ik een sterke drang voel mezelf culinair te overtreffen. Als ik enkele dagen voor de dinerdatum het boek ‘Topkoks voor thuiskoks’ cadeau krijg, voel ik me dan ook sterk aangesproken. Dit heeft zo moeten zijn.
Mijn keuze valt op de Rigatonivulkaantjes van Alfonso en Livia Laccarino, topkoks van restaurant Don Alfonso 1890 in Sorrento. Naast de receptinstructies staat namelijk een prachtige foto van een rigatonivulkaantje: een inderdaad bergachtige vorm met aan de buitenkant roodgekleurde pastakokertjes waarover vanuit de top van de vulkaan, lavagewijs, witte en groene stroompjes oog- en ongetwijfeld ook tongstrelende saus sierlijk naar beneden dalen. Hier ga ik indruk mee maken!
Ik blijk timbaaltjes nodig te hebben. Mijn intuïtie dat dit helemaal geen muziekinstrumentjes zijn, wat de woordklank wel doet vermoeden, blijkt het bij het rechte eind te hebben. Via Google ontdek ik dat een soort ovenvaste mini-emmertjes betreft. Vier heb ik er nodig, met een doorsnee van acht centimeter.
Nergens in de verre omtrek vind ik timbaaltjes met een grotere doorsnede dan zes centimeter. In mijn euforie over de indruk die ik met de rigatonivulkaantjes zal maken, besluit ik dat een paar centimeter minder niet echt veel zal uitmaken. Ik koop er meteen een professionele puntzeef bij. Die heb ik ook nodig volgens de Laccarino’s.
Tevreden en nog steeds vol enthousiasme bezoek ik vervolgens enige delicatessenzaken om alle benodigde ingrediënten in beste-van-het-bestekwaliteit aan te schaffen.
Tijdens de bereiding, die mij eerder redelijk eenvoudig leek, ontstaan er diverse praktische problemen. Zo blijkt er van de eerste gepureerde en vervolgens gepuntzeefde basilicum slechts een hoeveelheid over te blijven waarmee amper een half vingerhoedje te vullen is. Een ander knelpunt is dat de rigatoni te lang zijn en, in weerwil van stevig proppen, zeer ruimschoots uit de timbaaltjes blijven steken. Wat ik ook enigszins zorgelijk vind, is dat alle doperwten, gehaktballetjes, gekookte eieren en buffelmozzarella’s met geen mogelijkheid in de krappe binnenruimte van de timbaaltjes passen. Ook hier pas ik gematigd geweld toe, maar dan nog houd ik zeker de helft van mijn kostbare inkopen over. Mijn vertrouwen in een goede afloop en waarderende zussenblikken maakt plaats voor enige bezorgdheid en vrees voor eeuwige familiehoon.
Een weg terug is er echter niet.
Wanneer het zover is, de uitpuilende timbalen hun oventijd hebben volgemaakt en de verwachtingen hooggespannen zijn, keer ik ze op de borden. Mijn angst wordt volledig bewaarheid. Het door deze thuiskok met zoveel liefde en doorzettingsvermogen bereide doet in weinig denken aan een vulkaan die zojuist subtiel smakende en kleurrijke substanties heeft gespuwd. Op elk bord ligt een hoopje slachthuisafval.
De zussen vangen mij liefdevol op. Dat het geheel niet alleen verre van een lust voor het oog is maar bovendien beslist niet gaar lijkt te zijn, brengt één van hen ertoe de inhoud van de borden in een koekenpan te schuiven om er alsnog iets eetbaars van te maken.